Tot slot: review over burn-out en het onderwijs
Wat volgt is een geheel persoonlijke visie over ons huidig onderwijs en mijn situatie in het bijzonder. Je kan het extrapoleren naar onze maatschappij, naar elke job, of je kan het roerend oneens zijn. Doe ermee wat je wil.
Om te beginnen is het belangrijk dat je weet dat zelfwaarde of eigenwaarde de drijfveer is achter al onze handelingen. Zelfwaardering is het idee dat je een zinvolle bijdrage levert aan een betekenisvolle maatschappij. Het gevoel van zelfwaarde beschermt ons tegen diepgewortelde fysieke en existentiële angsten. (Dat zeg ik niet alleen; dat zegt zowat iedereen in de psychologie, antropologie, filosofie...)
Onze job is één manier waarmee we willen voldoen aan die eigenwaarde. We willen een job die van belang is, die nuttig is, die bijdraagt aan onze maatschappij. (De andere manieren zijn eigenlijk de verschillende rollen die je opneemt: moeder, partner, dochter, vrijwilliger, leider, lid...) Het onderwijs is een sector waarin helemaal tegemoet wordt gekomen aan onze eigenwaarde: we helpen kinderen in hun ontwikkeling. Veel belangrijker dan dat wordt het niet. Dat maakt van het onderwijs een prachtige sector, waarin we voelen dat we relevant zijn.
Het gevoel van tekortschieten is een belangrijke oorzaak van problemen met zelfwaardering. Het gevoel van tekortschieten kan verschillende redenen hebben: je plek in de samenleving, je persoonlijke tekortkomingen of onrealistische verwachtingen. En daar wringt volgens mij het schoentje: we hebben de laatste jaren massaal veel te maken met leerkrachten die voelen dat ze tekortschieten. Als gevolg daarvan hoopt de stress zich op tot aan een burn-out. Er heerst in het onderwijs (en andere sectoren) een ware epidemie van burn-outs. Ik was één van de zovele slachtoffers.
Wat heeft dit veroorzaakt? We hebben een relevante job, daar valt niet over te twisten. Zijn we dan met z'n allen niet goed genoeg; beschikken we niet over de juiste competenties om onze job te kunnen uitvoeren? Laat ik heel duidelijk zijn dat dit zeker niet de oorzaak is, integendeel: onze leerkrachten zijn bijzonder competent en dat stel ik elke dag opnieuw vast. De oorzaak ligt in de verwachtingen die aan ons gesteld worden.
We geven al lang niet meer les zoals vroeger: vooraan in de klas een monoloog houden, 25 kinderen die braaf luisteren en daarna allemaal in stilte aan dezelfde opdracht werken. Gelukkig ook maar, want dat is niet de weg vooruit. We willen elk kind tegemoet komen op zijn/haar eigen niveau, uit elk kind het beste halen, elk kind laten excelleren (of dat nu cognitief of praktisch is; we zijn gelukkig afgestapt van het idee dat enkel het cognitieve van tel is). Dat is een nobel principe.
Het is echter ook een onrealistisch principe. Want voor wie niet gekend is met het onderwijs, schets ik even wat er precies van ons wordt verwacht. En vraag maar even rond aan leerkrachten die je kent: wat ik hier schets, is niet overdreven. Integendeel, het is alledaags en er zijn nog flagrantere situaties waarmee leerkrachten te maken hebben. Mijn volgend voorbeeld is gewoontjes, niets speciaals, heel doorsnee, herkenbaar voor iedereen in het (basis)onderwijs.
Je hebt een klas van 25 kinderen. 3 van hen presteren op een hoger niveau dan de leerstof die jouw leerjaar normaal gezien aanbiedt. 7 kinderen presteren dan weer op een lager niveau en kunnen de klasleerstof niet aan. Bij 2 is het zelfs zo dat zij na het doorlopen van de basisschool naar het buitengewoon secundair onderwijs zullen gaan. 4 kinderen hebben dyslexie, 3 hebben dyscalculie, eentje heeft dysfasie, 3 hebben een autismespectrumstoornis, 3 hebben ADHD, eentje ADD, eentje heeft OCD en sommigen hebben een combinatie van deze zaken. Er zijn ook kinderen die dan wel geen diagnose hebben gekregen, maar waarvan een vermoeden van een leerstoornis heerst. Dan zijn er nog 2 kinderen met een gedragsstoornis (ongecontroleerde woedebuien, onaangepast sociaal gedrag, dat soort zaken). Er zit een kind in de klas dat in een zorginstelling leeft, 16 kinderen hebben gescheiden ouders, 3 leven in (verborgen) armoede, 2 kinderen zijn vluchtelingen die nog maar 2 jaar in België zijn, bij 5 kinderen is de thuistaal niet Nederlands.
De les van vandaag gaat over het optellen en aftrekken van ongelijknamige breuken. Nu ja, voor sommige kinderen dan toch. Want de leerlingen die op een hoger niveau presteren, kunnen dit al. Voor hen moet je dus iets anders voorzien. Je geeft hen een werkblad over het vermenigvuldigen van breuken met breuken, geleidelijk opgebouwd, zodat ze zelfstandig kunnen ontdekken hoe ze dit moeten oplossen. De 2 leerlingen die naar het BuSo zullen gaan, hoeven deze leerstof ook niet te krijgen. Zij werken aan een werkblaadje waarin ze oefenen op het optellen en aftrekken tot 100. Dan heb je de 5 andere kinderen nog die op een iets lager niveau dan het klasniveau werken. Zij krijgen een werkblaadje over een breuk nemen van een getal.
Op voorhand werd er van je verwacht dat je al deze aanpassingen in de leerstof duidelijk uitschrijft en er een volledige administratie van maakt. Je hebt voor elk van deze kinderen in hun dossier de maatregelen opgesomd waar zij gebruik van mogen maken. Je hebt op voorhand nagedacht over en uitgeschreven welke leerstof zij deze les zouden volgen. Je hebt vervolgens werkblaadjes gemaakt/gezocht bij deze leerstof.
Zo, de overige 15 leerlingen zullen nu een les krijgen over het optellen en aftrekken van ongelijknamige breuken. Terwijl je klassikaal instructie geeft over deze leerstof, zitten 2 leerlingen (die al een ander werkblaadje hadden) met hun vinger in de lucht. Ze hebben een vraag bij hun werkblad en ze kunnen niet verder. Ofwel onderbreek je je instructie en laat je 15 leerlingen wachten, ofwel moeten deze 2 even wachten tot je tijd hebt; je kiest wat je ermee doet. Na je instructie snappen sommigen hoe ze deze oefeningen moeten oplossen en kunnen zij beginnen aan hun werkblad. Er zijn ook kinderen die het nog niet helemaal snappen; aan hen geef je nog wat langer instructie. De leerlingen met dyscalculie mogen een rekenmachine gebruiken (dat heb je uiteraard in hun dossier gezet) maar dat is bij deze les geen hulpmiddel en ze kunnen niet verder zonder jou. Je moet nog even snel bij 2 leerlingen aanduiden welke oefeningen ze moeten maken, want zij krijgen tempodifferentiatie (dat heb je opnieuw in hun dossier gezet). Terwijl je de leerlingen met ASS eraan herinnert dat ze een hoofdtelefoon moeten nemen (weer zo'n maatregelen die in het dossier staat), heeft één van de leerlingen (die met de gedragsstoornis) besloten om zijn buur te prikken met een passerpunt. De buur schreeuwt moord en brand. Je grijpt onmiddellijk in; ergens vandaag moet je hier zeker nog een verslag over schrijven én je mag niet vergeten om dit vandaag nog te melden aan de ouders van beide leerlingen. Ondertussen zijn 2 van de leerlingen met het moeilijkere niveau al klaar met hun oefeningen. Zij verbeteren zelfstandig hun werkblad en zetten zich daarna aan de computer (volgens de vaste klasafspraken) om Frans te oefenen. Je keert terug naar de leerlingen die moeite hadden met de leerstof om hen te begeleiden. Je bent echter ook nodig bij de 2 leerlingen die tot 100 werken, want je merkt dat ze een denkfout maken bij het aftrekken, en je wil niet dat ze deze fout een heel werkblad lang maken. Ondertussen zijn er nog meer leerlingen klaar met hun oefeningen, en ga jij terug naar de leerlingen die extra begeleiding nodig hebben. Na de les wordt er verwacht dat je van elke leerling weet wie de leerstof al dan niet beheerst en dat je dit ook nog ergens in een administratie zet (bv. een puntensysteem).
Dit is een snelle situatieschets van 1 les. Er zijn ongeveer 6 lessen per dag in mijn klas. Ik som even (onvolledig) op wat er van mij (en bij uitbreiding van alle leerkrachten) wordt verwacht:
De verwachtingen die aan leerkrachten worden gesteld, zijn onrealistisch. Sommige van bovenstaande zaken zijn haalbaar, sommige helemaal niet. Allemaal tesamen (de lijst was onvolledig) is de vraaglast veel groter dan de draagkracht van een leerkracht.
'Wacht eens even,' hoor ik je denken, 'en het M-decreet dan? Jullie krijgen toch extra hulp voor leerlingen met bijzondere zorgnoden?'
*Kuch.* Ahum... De verdeelsleutel die bepaalt hoeveel uren je per school krijgt, is een wonderlijk iets. Je kan geluk hebben, je kan pech hebben. Onze school behoort tot de laatste categorie. Bovendien worden die uren niet uitsluitend gebruikt als effectieve ondersteuning, maar moeten deze mensen ook veel overleggen en afspreken (wat tijdens die uren moet gebeuren). In de praktijk kwam dat voor mijn school soms neer op 1 effectief lesuur per maand per klas (maar enkel voor de klassen waar er ondersteuning voorzien was, want sommige klassen hadden er geen recht op). Dat is op zijn zachtst gezegd ontoereikend.
Dat is echter niet hoe het doorgaans wordt voorgesteld. Integendeel: we krijgen als leerkracht het idee dat het aan onszelf ligt, dat wij persoonlijk tekortschieten. Dat idee wordt versterkt door de bijscholingen en studiedagen die ons worden voorgeschoteld. Mindfulness, want daarmee kan je nadien weer vlotjes mee in de ratrace (het is tenslotte jouw probleem). Lean, want het ligt aan joù dat je tekortschiet; het kan allemaal wat efficiënter, het kan allemaal nog wat meer geoptimaliseerd worden. Stressmanagement, want jij bent niet stressbestendig genoeg. De maatschappelijke visie werkt ook niet echt mee, zeker wanneer we al eens aan de alarmbel trekken; vaak worden we dan neergezet als klagers die ocharme 25 uur per week werken, voltijds dan nog wel, en de helft van de tijd vakantie hebben. Zelfwaardering behouden is lastig wanneer je cultuur jouw rol als minderwaardig beschouwt.
De waarheid is dat er een fout zit in het systeem, in de werking van de organisatie, in het opgelegde takenpakket en de verwachtingen van bovenaf. Een burn-out is een gevolg daarvan. Zolang de werking, het systeem, de verwachtingen niet veranderen, zullen deze gevolgen blijven komen. Het is NIET een individueel probleem, hoewel het helaas zo wordt neergezet.
Mijn burn-out werd op deze manier veroorzaakt. Ik wou aan alle eisen voldoen, alle administratie tiptop hebben, alles aankunnen wat aan me werd gevraagd. En toen ik dat niet kon, zocht ik de schuld bij mezelf. Ik ging nog harder werken, nog meer (ten koste van mijn gezin, mijn sociale leven en mijn mentale gezondheid). Maar nog faalde ik en kreeg ik niet alles gedaan. Dus toch nog een extra tandje bijsteken... Tot mijn lichaam STOP riep. En alles stond stil.
Het heeft een tijd geduurd vooraleer ik inzag wat ik hierboven probeer duidelijk te maken. Ik beschouw mezelf als de kanarie die in de mijn omviel; een signaal dat er iets ernstig mis is. Voor mezelf heb ik uitgemaakt wat dat is: de systeemfout in ons onderwijs. Ik heb ervoor gekozen om in het onderwijs te blijven omdat ik het nog steeds een prachtige job vind en omdat ik weet dat ik hier verdomd goed in ben. Uiteraard bleken bij mijn terugkomst de omstandigheden onveranderd. Maar omdat ik nu besef dat bepaalde zaken totaal onrealistisch zijn, verwacht ik die ook niet meer van mezelf. Ik filter mijn taken: als het niet nuttig is voor de leerlingen of voor mezelf, als het geen meerwaarde heeft, dan doe ik het niet. Er zijn zoveel zaken die we moeten doen, dat er enkel ruimte is voor prioriteiten. (En de Nederlandse lezers weten ondertussen ook dat ze geen topprioriteit zijn...)
Ik kan enkel hopen dat er effectieve veranderingen zullen plaatsvinden. Zoals meestal zullen die van onderaf moeten komen: de mensen in het veld. Misschien zal dit ooit gebeuren, misschien niet. Ik kan enkel voor mezelf bepalen hoe ik met ons takenpakket omga, wat ik van mezelf verwacht, wat ik doe of niet doe omdat mijn professionaliteit me toestaat het onderscheid te maken tussen wat van belang is en wat overbodig. Mijn eigenwaarde is opnieuw opgebouwd. Ik weet dat ik goed bezig ben, in een nuttige job, met zinvolle taken; dat ik van betekenis ben voor mijn leerlingen. Dat maakt me gelukkig. En een gelukkige leerkracht is een goede leerkracht.
Om te beginnen is het belangrijk dat je weet dat zelfwaarde of eigenwaarde de drijfveer is achter al onze handelingen. Zelfwaardering is het idee dat je een zinvolle bijdrage levert aan een betekenisvolle maatschappij. Het gevoel van zelfwaarde beschermt ons tegen diepgewortelde fysieke en existentiële angsten. (Dat zeg ik niet alleen; dat zegt zowat iedereen in de psychologie, antropologie, filosofie...)
Onze job is één manier waarmee we willen voldoen aan die eigenwaarde. We willen een job die van belang is, die nuttig is, die bijdraagt aan onze maatschappij. (De andere manieren zijn eigenlijk de verschillende rollen die je opneemt: moeder, partner, dochter, vrijwilliger, leider, lid...) Het onderwijs is een sector waarin helemaal tegemoet wordt gekomen aan onze eigenwaarde: we helpen kinderen in hun ontwikkeling. Veel belangrijker dan dat wordt het niet. Dat maakt van het onderwijs een prachtige sector, waarin we voelen dat we relevant zijn.
Het gevoel van tekortschieten is een belangrijke oorzaak van problemen met zelfwaardering. Het gevoel van tekortschieten kan verschillende redenen hebben: je plek in de samenleving, je persoonlijke tekortkomingen of onrealistische verwachtingen. En daar wringt volgens mij het schoentje: we hebben de laatste jaren massaal veel te maken met leerkrachten die voelen dat ze tekortschieten. Als gevolg daarvan hoopt de stress zich op tot aan een burn-out. Er heerst in het onderwijs (en andere sectoren) een ware epidemie van burn-outs. Ik was één van de zovele slachtoffers.
Wat heeft dit veroorzaakt? We hebben een relevante job, daar valt niet over te twisten. Zijn we dan met z'n allen niet goed genoeg; beschikken we niet over de juiste competenties om onze job te kunnen uitvoeren? Laat ik heel duidelijk zijn dat dit zeker niet de oorzaak is, integendeel: onze leerkrachten zijn bijzonder competent en dat stel ik elke dag opnieuw vast. De oorzaak ligt in de verwachtingen die aan ons gesteld worden.
We geven al lang niet meer les zoals vroeger: vooraan in de klas een monoloog houden, 25 kinderen die braaf luisteren en daarna allemaal in stilte aan dezelfde opdracht werken. Gelukkig ook maar, want dat is niet de weg vooruit. We willen elk kind tegemoet komen op zijn/haar eigen niveau, uit elk kind het beste halen, elk kind laten excelleren (of dat nu cognitief of praktisch is; we zijn gelukkig afgestapt van het idee dat enkel het cognitieve van tel is). Dat is een nobel principe.
Het is echter ook een onrealistisch principe. Want voor wie niet gekend is met het onderwijs, schets ik even wat er precies van ons wordt verwacht. En vraag maar even rond aan leerkrachten die je kent: wat ik hier schets, is niet overdreven. Integendeel, het is alledaags en er zijn nog flagrantere situaties waarmee leerkrachten te maken hebben. Mijn volgend voorbeeld is gewoontjes, niets speciaals, heel doorsnee, herkenbaar voor iedereen in het (basis)onderwijs.
Je hebt een klas van 25 kinderen. 3 van hen presteren op een hoger niveau dan de leerstof die jouw leerjaar normaal gezien aanbiedt. 7 kinderen presteren dan weer op een lager niveau en kunnen de klasleerstof niet aan. Bij 2 is het zelfs zo dat zij na het doorlopen van de basisschool naar het buitengewoon secundair onderwijs zullen gaan. 4 kinderen hebben dyslexie, 3 hebben dyscalculie, eentje heeft dysfasie, 3 hebben een autismespectrumstoornis, 3 hebben ADHD, eentje ADD, eentje heeft OCD en sommigen hebben een combinatie van deze zaken. Er zijn ook kinderen die dan wel geen diagnose hebben gekregen, maar waarvan een vermoeden van een leerstoornis heerst. Dan zijn er nog 2 kinderen met een gedragsstoornis (ongecontroleerde woedebuien, onaangepast sociaal gedrag, dat soort zaken). Er zit een kind in de klas dat in een zorginstelling leeft, 16 kinderen hebben gescheiden ouders, 3 leven in (verborgen) armoede, 2 kinderen zijn vluchtelingen die nog maar 2 jaar in België zijn, bij 5 kinderen is de thuistaal niet Nederlands.
De les van vandaag gaat over het optellen en aftrekken van ongelijknamige breuken. Nu ja, voor sommige kinderen dan toch. Want de leerlingen die op een hoger niveau presteren, kunnen dit al. Voor hen moet je dus iets anders voorzien. Je geeft hen een werkblad over het vermenigvuldigen van breuken met breuken, geleidelijk opgebouwd, zodat ze zelfstandig kunnen ontdekken hoe ze dit moeten oplossen. De 2 leerlingen die naar het BuSo zullen gaan, hoeven deze leerstof ook niet te krijgen. Zij werken aan een werkblaadje waarin ze oefenen op het optellen en aftrekken tot 100. Dan heb je de 5 andere kinderen nog die op een iets lager niveau dan het klasniveau werken. Zij krijgen een werkblaadje over een breuk nemen van een getal.
Op voorhand werd er van je verwacht dat je al deze aanpassingen in de leerstof duidelijk uitschrijft en er een volledige administratie van maakt. Je hebt voor elk van deze kinderen in hun dossier de maatregelen opgesomd waar zij gebruik van mogen maken. Je hebt op voorhand nagedacht over en uitgeschreven welke leerstof zij deze les zouden volgen. Je hebt vervolgens werkblaadjes gemaakt/gezocht bij deze leerstof.
Zo, de overige 15 leerlingen zullen nu een les krijgen over het optellen en aftrekken van ongelijknamige breuken. Terwijl je klassikaal instructie geeft over deze leerstof, zitten 2 leerlingen (die al een ander werkblaadje hadden) met hun vinger in de lucht. Ze hebben een vraag bij hun werkblad en ze kunnen niet verder. Ofwel onderbreek je je instructie en laat je 15 leerlingen wachten, ofwel moeten deze 2 even wachten tot je tijd hebt; je kiest wat je ermee doet. Na je instructie snappen sommigen hoe ze deze oefeningen moeten oplossen en kunnen zij beginnen aan hun werkblad. Er zijn ook kinderen die het nog niet helemaal snappen; aan hen geef je nog wat langer instructie. De leerlingen met dyscalculie mogen een rekenmachine gebruiken (dat heb je uiteraard in hun dossier gezet) maar dat is bij deze les geen hulpmiddel en ze kunnen niet verder zonder jou. Je moet nog even snel bij 2 leerlingen aanduiden welke oefeningen ze moeten maken, want zij krijgen tempodifferentiatie (dat heb je opnieuw in hun dossier gezet). Terwijl je de leerlingen met ASS eraan herinnert dat ze een hoofdtelefoon moeten nemen (weer zo'n maatregelen die in het dossier staat), heeft één van de leerlingen (die met de gedragsstoornis) besloten om zijn buur te prikken met een passerpunt. De buur schreeuwt moord en brand. Je grijpt onmiddellijk in; ergens vandaag moet je hier zeker nog een verslag over schrijven én je mag niet vergeten om dit vandaag nog te melden aan de ouders van beide leerlingen. Ondertussen zijn 2 van de leerlingen met het moeilijkere niveau al klaar met hun oefeningen. Zij verbeteren zelfstandig hun werkblad en zetten zich daarna aan de computer (volgens de vaste klasafspraken) om Frans te oefenen. Je keert terug naar de leerlingen die moeite hadden met de leerstof om hen te begeleiden. Je bent echter ook nodig bij de 2 leerlingen die tot 100 werken, want je merkt dat ze een denkfout maken bij het aftrekken, en je wil niet dat ze deze fout een heel werkblad lang maken. Ondertussen zijn er nog meer leerlingen klaar met hun oefeningen, en ga jij terug naar de leerlingen die extra begeleiding nodig hebben. Na de les wordt er verwacht dat je van elke leerling weet wie de leerstof al dan niet beheerst en dat je dit ook nog ergens in een administratie zet (bv. een puntensysteem).
Dit is een snelle situatieschets van 1 les. Er zijn ongeveer 6 lessen per dag in mijn klas. Ik som even (onvolledig) op wat er van mij (en bij uitbreiding van alle leerkrachten) wordt verwacht:
- Voor leerlingen die uitbreidingsleerstof nodig hebben, moet een volledig dossier worden opgesteld waarin staat welke leerstof zij zullen krijgen, aan welke doelen zij zullen werken, tijdens welke lessen je dit zal doen, hoe je dit zal doen. Je moet dit ook in het leerlingvolgsysteem noteren als extra maatregel zodat de leerkracht van het volgende schooljaar dit kan opvolgen. De ouders moeten hiervan op de hoogte worden gesteld en je hebt hierover overlegd (vaak meer dan 1 keer) met de zorgcoördinator, de directie en eventueel ook het CLB (centrum voor leerlingbegeleiding).
- Dan moet je uiteraard werkbundels hebben voor deze leerlingen. Je zoekt, stelt op, stelt samen, kopieert. Een pasklare methode bestaat er immers niet.
- Idem voor de leerlingen die op een lager niveau dan het klasniveau werken.
- Je bereidt elke les voor: plannen wat je gaat doen, hoe je gaat differentiëren, wie welke maatregel nodig heeft tijdens die les, opstellen van een bordplan, maken van een presentatie, les ingeven in je online agenda (met alles erop en eraan).
- Je denkt tijdens de les aan al die maatregelen voor elk kind: wie begint aan welk werkblaadje, wie moet een hoofdtelefoon hebben, wie maakt slechts een beperkt aantal oefeningen, wie mag een tafelkaart gebruiken, wie krijgt een stappenplan, wie krijgt een prikkelarm plaatsje in de klas, wie ondersteun je visueel wegens taalproblemen, ...
- Je voorziet wat de leerlingen moeten doen wanneer ze klaar zijn met hun werkblad.
- Je evalueert na de les elk kind: verbeteren, punten geven, in het dossier noteren... Wie heeft er nog verdere aanpassingen nodig? Voor wie moet je nog wat extra voorzien de volgende les?
- Je maakt een verslag op van elk incident dat zich voordoet, van elke belangrijke observatie die je maakt.
- Je brengt ouders op de hoogte van het gedrag van (bv. de passerprik) en de maatregelen voor hun kind. Bij doorgedreven maatregelen en aanpassingen moet dit via een oudercontact waarop ook de zorgcoördinator en eventueel de directie of het CLB aanwezig is.
- Je maakt een rapport. Bij ons is dat een geschreven tekst bij élk vak dat wordt gegeven. Je hanteert het sandwich-model: als er een negatieve boodschap is, verpak je die tussen 2 positieve zaken.
- Je houdt oudercontacten. Gepland, zoals bij een rapport, maar ook tussendoor wanneer er een bepaalde boodschap moet gegeven worden. Je schrijft een verslag van elk oudercontact in het leerlingvolgsysteem.
- Je moet een dagplanning hebben in de klas, zodat de leerlingen weten welk uur het welke les zal zijn. Van bepaalde vakken hang je ook zaken omhoog (het leerdecorum) die belangrijk zijn voor jouw leerjaar. Dit moet uiteraard afwisselen doorheen het jaar, dus je gaat om de zoveel weken enkele keren een ladder op en af om de posters en wandplaten te vervangen.
- Je moet een planning hebben van je leerstof. Wekelijks (via een online agenda waarin je per les de doelen, lesplanning, differentiatie e.d. voorziet) maar ook een algemeen jaarplan is nodig (waarin per maand voor élk vak staat waaraan je zal werken). Bij die planning moet je alle doelen aanduiden waaraan je werkt. Je moet immers kunnen aantonen dat je de leerstofdoelen haalt op het einde van het schooljaar.
- Je moet in de leerlingendossiers alles wat je doet of wat er gebeurt noteren. Je moet kunnen aantonen welke weg er is afgelegd en wat je allemaal al hebt geprobeerd, vooraleer je kan overgaan naar een volgende maatregel. Elk kindgesprek, elk gesprek met ouders, elke observatie, alle info die je verwerft, moet je hierin noteren.
- In datzelfde dossier maak je een voorbereiding van elk gesprek of overleg dat je plant: Waarom vraag je dit aan? Wat is je concrete vraag of je concrete doel van dit overleg? Welke maatregelen heb je al getroffen?
- Je moet zorgen dat je alle materiaal hebt voor elke les van elke dag. Je neemt kopies, maakt bundels, brengt allerlei zaken mee van thuis, voorziet einde schooljaar alle materialen die je nodig hebt voor het volgende schooljaar (voor zover je dat kan betalen, want knutselmateriaal is meestal te duur dus daar moet je maar creatief in zijn).
- Je moet zorgen dat er materiaal is voor wanneer je ziek zou worden. Je moet bundels en werkbladen voorzien zodat de leerlingen een dagje zonder jou verder kunnen.
- Je moet voorzien dat het, bij langdurige ziekte, voor jouw vervanger duidelijk is hoe de klas draait. Je moet een draaiboek maken, je moet duidelijk maken wat je elke dag, week, maand doet (zodat je vervanger dit ook kan doen), waar alles ligt, hoe de klasroutine werkt, wat de afspraken zijn rond huiswerk en lessen, hoe je tuchtmaatregelen neemt...
- Je moet duidelijke afspraken maken rond orde en tucht, rond klasroutine, en die moeten liefst ook zichtbaar zijn in je klas.
- Je moet deelnemen aan het schoolfeest, het kerstfeest, Halloween, de filmavond, de restaurantdag. Je moet mee wafels verkopen, en usb-sticks, en bloembollen. Je moet om de 2 jaar een volle schoolweek mee op bosklassen (dus je partner moet tijdig verlof aanvragen voor die week om voor de kinderen te zorgen, want zijn/haar onregelmatige uren maken dat anders onmogelijk).
- Je moet je eigen klas in orde brengen. Je moet tijdens de vakantie zelf poetsen, schilderen e.d.
- Je moet tijdens de vakantie ook mee zorgen voor het onderhoud van de school: onkruid wieden en dat soort zaken.
- Je vangt de leerlingen van andere klassen op wanneer er een collega ziek is.
- Tijdens het turnuurtje (gegeven door een turnleerkracht) moet je gaan co-teachen bij een collega of een andere taak uitvoeren in functie van de school.
- Je moet bijscholingen volgen. Er zijn verplichte bijscholingen (bv. wanneer er een nieuw leerplan uitkomt) en bijscholingen die je zelf mag kiezen. Helaas is er geen budget voor dat laatste, dus ofwel zoek je enkel gratis nascholingen, ofwel betaal je dit zelf. (NB: 1 halve/hele dag kost meestal tussen de 90 en 120 euro.)
- Je moet een facebookpagina, een webpagina of iets anders bijhouden van je klas, zodat de ouders daar foto's kunnen zien van je activiteiten.
- Je moet verschillende pedagogische uitstappen of workshops plannen doorheen het jaar, voor zover je budget reikt. Je moet hiervoor een formulier invullen met alle nodige gegevens, met het bericht dat je naar de ouders zal sturen, met de prijs, met de busaanvraag, of je de refter al dan niet nodig hebt die dag...
- Je moet zwemles geven aan 25 kinderen tegelijk (ook al durft er 1 nog niet met het hoofd onder water, durven 3 niet in het diep en hebben er 4 al een brevet van 1000 m; ook al duurt de les 30 minuten, zijn er 8 lessen op het schooljaar en sta je alleen met je hele klas in het zwembad: elk kind MOET kunnen zwemmen).
- Je moet de schoolvisie uitdragen.
- Je moet je neutraal opstellen wat levensbeschouwelijke of ideologische ideeën betreft.
- Je moet vernieuwend werken, nieuwe onderwijsideeën uitproberen, de nieuwste wetenschappelijke inzichten implementeren. Je moet uiteraard de leerplannen kennen en toepassen in je klaspraktijk.
- Bovenal: je moet ondertussen zorgen dat élk kind aandacht krijgt, zich gewaardeerd voelt, betrokken is, op zijn eigen niveau kan excelleren. Je moet niet enkel oog hebben voor cognitieve prestaties, maar ook voor welbevinden, voor de emotionele en sociale situatie van elk kind, voor de vaardigheden en talenten.
De verwachtingen die aan leerkrachten worden gesteld, zijn onrealistisch. Sommige van bovenstaande zaken zijn haalbaar, sommige helemaal niet. Allemaal tesamen (de lijst was onvolledig) is de vraaglast veel groter dan de draagkracht van een leerkracht.
'Wacht eens even,' hoor ik je denken, 'en het M-decreet dan? Jullie krijgen toch extra hulp voor leerlingen met bijzondere zorgnoden?'
*Kuch.* Ahum... De verdeelsleutel die bepaalt hoeveel uren je per school krijgt, is een wonderlijk iets. Je kan geluk hebben, je kan pech hebben. Onze school behoort tot de laatste categorie. Bovendien worden die uren niet uitsluitend gebruikt als effectieve ondersteuning, maar moeten deze mensen ook veel overleggen en afspreken (wat tijdens die uren moet gebeuren). In de praktijk kwam dat voor mijn school soms neer op 1 effectief lesuur per maand per klas (maar enkel voor de klassen waar er ondersteuning voorzien was, want sommige klassen hadden er geen recht op). Dat is op zijn zachtst gezegd ontoereikend.
Dat is echter niet hoe het doorgaans wordt voorgesteld. Integendeel: we krijgen als leerkracht het idee dat het aan onszelf ligt, dat wij persoonlijk tekortschieten. Dat idee wordt versterkt door de bijscholingen en studiedagen die ons worden voorgeschoteld. Mindfulness, want daarmee kan je nadien weer vlotjes mee in de ratrace (het is tenslotte jouw probleem). Lean, want het ligt aan joù dat je tekortschiet; het kan allemaal wat efficiënter, het kan allemaal nog wat meer geoptimaliseerd worden. Stressmanagement, want jij bent niet stressbestendig genoeg. De maatschappelijke visie werkt ook niet echt mee, zeker wanneer we al eens aan de alarmbel trekken; vaak worden we dan neergezet als klagers die ocharme 25 uur per week werken, voltijds dan nog wel, en de helft van de tijd vakantie hebben. Zelfwaardering behouden is lastig wanneer je cultuur jouw rol als minderwaardig beschouwt.
De waarheid is dat er een fout zit in het systeem, in de werking van de organisatie, in het opgelegde takenpakket en de verwachtingen van bovenaf. Een burn-out is een gevolg daarvan. Zolang de werking, het systeem, de verwachtingen niet veranderen, zullen deze gevolgen blijven komen. Het is NIET een individueel probleem, hoewel het helaas zo wordt neergezet.
Mijn burn-out werd op deze manier veroorzaakt. Ik wou aan alle eisen voldoen, alle administratie tiptop hebben, alles aankunnen wat aan me werd gevraagd. En toen ik dat niet kon, zocht ik de schuld bij mezelf. Ik ging nog harder werken, nog meer (ten koste van mijn gezin, mijn sociale leven en mijn mentale gezondheid). Maar nog faalde ik en kreeg ik niet alles gedaan. Dus toch nog een extra tandje bijsteken... Tot mijn lichaam STOP riep. En alles stond stil.
Het heeft een tijd geduurd vooraleer ik inzag wat ik hierboven probeer duidelijk te maken. Ik beschouw mezelf als de kanarie die in de mijn omviel; een signaal dat er iets ernstig mis is. Voor mezelf heb ik uitgemaakt wat dat is: de systeemfout in ons onderwijs. Ik heb ervoor gekozen om in het onderwijs te blijven omdat ik het nog steeds een prachtige job vind en omdat ik weet dat ik hier verdomd goed in ben. Uiteraard bleken bij mijn terugkomst de omstandigheden onveranderd. Maar omdat ik nu besef dat bepaalde zaken totaal onrealistisch zijn, verwacht ik die ook niet meer van mezelf. Ik filter mijn taken: als het niet nuttig is voor de leerlingen of voor mezelf, als het geen meerwaarde heeft, dan doe ik het niet. Er zijn zoveel zaken die we moeten doen, dat er enkel ruimte is voor prioriteiten. (En de Nederlandse lezers weten ondertussen ook dat ze geen topprioriteit zijn...)
Ik kan enkel hopen dat er effectieve veranderingen zullen plaatsvinden. Zoals meestal zullen die van onderaf moeten komen: de mensen in het veld. Misschien zal dit ooit gebeuren, misschien niet. Ik kan enkel voor mezelf bepalen hoe ik met ons takenpakket omga, wat ik van mezelf verwacht, wat ik doe of niet doe omdat mijn professionaliteit me toestaat het onderscheid te maken tussen wat van belang is en wat overbodig. Mijn eigenwaarde is opnieuw opgebouwd. Ik weet dat ik goed bezig ben, in een nuttige job, met zinvolle taken; dat ik van betekenis ben voor mijn leerlingen. Dat maakt me gelukkig. En een gelukkige leerkracht is een goede leerkracht.
Net een deel van je blog gelezen en ik werd er ff stil van ... In de verwachtingen die je netjes opsomt, moet je keuzes maken ... Ik ben 59 jaar oud, en beperk mij tot het drie-sporenbeleid en dat is haalbaar, ook voor mij ... :) Ik heb net palliatief verlof aangevraagd, en op twee uren had ik mijn vervangster alles uitgelegd ... Je lijstje met wat men van jou verwacht, is lang ... Maar daar staan ook zaken bij die niet van mij verwacht worden (wij hebben ook studiedagen waarbij we ons bijscholen, maar deze worden door het gemeentebestuur betaald) ... Ik sta in het gemeentelijk onderwijs, denk dat jij in het katholiek onderwijs staat ... Veel hangt ook af van wat de directie vraagt/eist ... Wij proberen puntje na puntje bij te werken, alles terzelfdertijd aanpakken, is onmogelijk ... Dan is een instorting onvermijdelijk ... Als je bij de doorlichting kunt aantonen dat er gewerkt wordt aan een aantal punten, is dit voldoende ... Maar, het is inderdaad zo dat we meer en meer tijd steken in het oplossen van ruzies en gedragsproblemen, zodat er minder tijd overblijft voor onze kerntaak: het aanbrengen van kennis, vaardigheden en attitudes. Tegenwoordig overheerst het welbevinden van de leerling boven de kennis ... En dan maar klagen dat de kwaliteit van het onderwijs achteruit gaat ... En dat is inderdaad ook een gevolg van het M-decreet ... Een decreet met zeer goede bedoelingen, maar concreet moeilijk uitvoerbaar ... Want de beloofde hulp hierbij blijft achterwege ... En sorry dat ik het zeg, maar ook het niveau van de leerkrachten gaat erop achteruit ... Ik heb bij stagiairs lesvoorbereidingen gezien die vol spellingsfouten stonden, die het onderscheid niet kenden tussen een boterbloem en een paardenbloem, die dachten dat de Guldensporenslag in 1814 - 1818 plaatsvond enz. Het algemeen niveau, de parate kennis is de laatste decennia gestaag gedaald ... En ook de eindtermen eisen steeds minder en minder van de leerlingen ... Dit waren gewoon enkele bedenkingen van een oude rat in het vak die binnen enkele jaren op pensioen mag gaan ... En ik doe mijn werk nog steeds even graag, maar ik leg mezelf beperkingen op ... Stel voor jezelf prioriteiten op en probeer je daaraan te houden ... En bouw dan stap voor stap verder op ... Ik wens je nog veel gelukkige jaren in het onderwijs toe ... Want ... ergens is en blijft het een droomjob die je heel veel voldoening geeft ... Succes!
BeantwoordenVerwijderen